Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AT2840

Datum uitspraak2005-03-24
Datum gepubliceerd2005-03-30
RechtsgebiedHandelszaak
Soort ProcedureKort geding
Instantie naamRechtbank Breda
Zaaknummers144090 /KG ZA 05-154
Statusgepubliceerd
SectorVoorzieningenrechter


Indicatie

Ter beoordeling staat of eiser (beeldend kunstenaar) 22 jaar geleden aan een vriend twee beelden heeft geschonken of dat sprake was van bruikleen.


Uitspraak

144090 /KG ZA 05-154 RECHTBANK BREDA 24 maart 2005 Sector Handelsrecht Voorzieningenrechter VONNIS IN KORT GEDING in de zaak van: [eiser], wonende te Lagoa, Portugal, e i s e r bij dagvaarding van 17 maart 2005, procureur: mr. P.C.H. Jansen, t e g e n : [gedaagde], wonende te Dongen, g e d a a g d e , i n p e r s o o n v e r s c h e n e n . 1. Het verloop van het geding. Dit blijkt uit de navolgende door partijen ter vonniswijzing overgelegde stukken: - de dagvaarding; - de pleitnota van mr. Jansen en de door eiser in het geding gebrachte producties; - de pleitnota van mr. M.C.J. Heinz, rechtshelper, die namens gedaagde mede het woord heeft gevoerd; - de door gedaagde in het geding gebrachte producties. 2. Het geschil. Eiser vordert gedaagde, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis de twee op de bij de dagvaarding overgelegde productie 1 afgebeelde houtsculpturen in goede staat aan eiser af te geven zulks op straffe van een dwangsom van € 2.500,-- per dag voor iedere dag dat gedaagde in gebrek zal blijven aan die verlichting te voldoen en met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding. 3. De voorlopige beoordeling en de gronden daarvoor. 3.1 De voorzieningenrechter gaat uit van de navolgende vaststaande feiten. Eiser en gedaagde hebben elkaar als collega's in het onderwijs leren kennen en zijn bevriend geraakt en gebleven tot het moment waarop het onderhavige geschil is gerezen. Eiser is in 1983 geëmigreerd naar Portugal. Voor zijn vertrek naar Portugal heeft hij in 1983 een drietal door hem vervaardigde beelden bij gedaagde achtergelaten. Omstreeks 1995 is een van die beelden, een betonnen beeld, door gedaagde op verzoek van eiser in het bezit van eiser gesteld. Op 6 maart 2005 heeft eiser telefonisch contact opgenomen met gedaagde waarbij hij gedaagde heeft gevraagd de twee andere beelden af te staan voor een in Portugal georganiseerde overzichtstentoonstelling van de kunstwerken van eiser. Gedaagde heeft in dit telefoongesprek ingestemd met afgifte. Vervolgens heeft de echtgenote van gedaagde op 11 maart 2005 het navolgende bericht per e-mail aan eiser verzonden: Naar aanleiding van het telefoongesprek van afgelopen zondag stuur ik je dit bericht. Kees vertelde wat jullie afgesproken hadden, maar ik vind dat niet zo'n goed idee. Deze objecten staan op een prominente plaats in ons huis en ik vind dat ze daar moeten blijven staan. Helaas, Willem maar jouw expositie zal daar niet minder om zijn. Je hebt de laatste tijd toch niet stilgezeten !! Eiser heeft vervolgens bij brief van zijn raadsman van 14 maart 2005 het standpunt ingenomen eigenaar te zijn van de beelden, dat deze onder de titel van bruikleen of bewaarneming aan gedaagde waren afgestaan en gedaagde gesommeerd de beelden terug te geven. 3.2 Het spoedeisend belang van eiser acht de voorzieningenrechter gegeven door het belang van eiser zijn gehele artistieke oeuvre aan het publiek te kunnen presenteren. 3.3 Eiser stelt dat hij de beelden in 1983 ten titel van bruikleen of ten titel van bewaargeving bij gedaagde heeft achtergelaten. Grondslag van de vordering in het lichaam van de dagvaarding is dit door eiser gestelde eigendomsrecht en de inmiddels geëindigde overeenkomst van bruikleen dan wel bewaargeving. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft eiser als primaire grondslag aangevoerd de op 5 maart 2005 tussen partijen overeengekomen bruikleenovereenkomst waarin gedaagde zich heeft verplicht om de beelden voor de duur van de expositie in Portugal af te staan aan eiser. Subsidiair beroept eiser zich op zijn eigendomsrecht, stellende dat de beelden aan gedaagde in bruikleen dan wel bewaargeving zijn afgestaan. 3.4 Gedaagde verweert zich met de stelling dat eiser in 1983 het betonnen beeld in bruikleen heeft gegeven maar de beide houten beelden aan hem heeft geschonken zodat deze zijn eigendom zijn. Gedaagde erkent toegezegd te hebben de beelden in bruikleen af te staan doch wenst daaraan thans zekerheidstelling in de vorm van een bankgarantie tot een bedrag van € 2.500,00 te verbinden als voorwaarde voor het geval eiser de beelden na het einde van de expositie niet zou retourneren. 3.5 Uit de antwoorden van gedaagde op de vragen van de voorzieningenrechter is gebleken dat eiser -volgens gedaagden- in het telefoongesprek van 5 maart 2005 desgevraagd aan gedaagde heeft bevestigd dat gedaagde zich eigenaar mag noemen van de beelden en dat hij de beelden na afloop van de expositie zou teruggeven. Gedaagde heeft voorts meegedeeld dat na afloop van dat telefoongesprek bij zijn echtgenote aarzelingen zijn gerezen over de vraag of eiser ook woord zou houden. Die aarzelingen heeft gedaagde vervolgens overgenomen, zo heeft hij verklaard, en dit was de reden voor het verzenden van de hiervoor geciteerde e-mail. Gedaagde heeft niet kunnen verklaren waarop die aarzelingen waren gebaseerd. Voor de voorzieningenrechter is onbegrijpelijk dat eiser reeds op dat moment, gegeven de hechte vriendschapsrelatie tussen partijen, dergelijke gedachten heeft ontwikkeld. 3.6 Op grond van het in art. 3:109 BW bepaalde wordt gedaagde geacht de beelden voor zichzelf te houden. Om die reden zal het in een eventuele bodemprocedure aan eiser zijn het door hem gestelde eigendomsrecht te bewijzen. Eiser zal daartoe dus dienen aan te tonen dat hij de beelden in 1983 ten titel van bruikleen of bewaargeving heeft afgestaan. Dit bewijs is thans nog niet voorhanden zodat de vordering op de subsidiaire grondslag niet kan slagen. 3.7 Ofschoon, zoals hiervoor onder 3.4 is overwogen, menselijkerwijs gesproken onbegrijpelijk is dat gedaagde zonder enige aanleiding argwanend is geworden en om die reden zijn aanvankelijke onvoorwaardelijke instemming met bruikleen voor de duur van de expositie in Portugal, nadien afhankelijk heeft gesteld van het stellen van zekerheid, dient thans vastgesteld te worden dat eiser zich inmiddels op het standpunt stelt eigenaar te zijn gebleven van de beelden. Desgevraagd heeft de raadsman van eiser ter zitting ook meegedeeld na revindicatoir beslag een vordering tot afgifte in te zullen stellen. Een onvoorwaardelijke toezegging de beelden na de expositie opnieuw in bezit te stellen van gedaagde heeft eiser (bij monde van zijn raadsman) niet gedaan. Gegeven de huidige situatie, waarnaar de vordering beoordeeld dient te worden, is de vrees van gedaagde dat de beelden na afloop van de expositie niet geretourneerd zullen worden, hoewel aanvankelijk volstrekt ongegrond, thans niet langer denkbeeldig. In deze omstandigheden kan van gedaagde niet langer gevergd worden de toezegging gestand te doen zonder enige zekerheid. Ofschoon de beelden volgens gedaagde een waarde vertegenwoordigen van € 2.500,-- acht de voorzieningenrechter zekerheid tot een bedrag van € 1.000,-- voldoende. De slotsom van al het voorgaande is dat de vordering toewijsbaar is, echter met dien verstande dat eiser een teruggaveplicht zal worden opgelegd en gedaagde eerst tot afgifte gehouden is nadat eiser zekerheid heeft gesteld tot een bedrag van € 1.000,00, aldus zoals hierna in de beslissing te vermelden. 4. De kosten. Gedaagde zal in de kosten worden veroordeeld nu het ontstaan van de geschillen aan zijn handelwijze is toe te rekenen. 5. De beslissing in kort geding. De voorzieningenrechter veroordeelt gedaagde binnen 24 uur na betekening van dit vonnis, nadat eiser zekerheid heeft gesteld tot een bedrag van € 1.000,-- in de vorm van een bankgarantie, de twee op de bij dagvaarding overgelegde productie 1 afgebeelde houtsculpturen in goede staat aan eiser af te geven, onder gehoudenheid van eiser de beelden na afloop van de expositie, doch uiterlijk op 1 oktober 2005, weer bij gedaagde af te leveren; bepaalt dat gedaagde een dwangsom verbeurt van € 500,-- per dag dat hij in gebreke blijft aan voormelde veroordeling te voldoen, met bepaling dat aan dwangsommen maximaal € 10.000,-- kan worden verbeurd; veroordeelt gedaagde partij in de kosten van het geding deze voorzover aan de zijde van de wederpartij gevallen tot op heden begroot op € 1.145,60, waaronder begrepen een bedrag van € 816,00 aan salaris; verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; weigert het meer of anders gevorderde. Dit vonnis is gewezen door mr. C.J.G.M. van der Weide, voorzieningenrechter, en bij vervroeging uitgesproken ter openbare terechtzitting in kort geding van donderdag 24 maart 2005, in tegenwoordigheid van mr. D.G.E.C.Th. Schütz, waarnemend griffier.